Advocatenkantoor Nass

17 maart 2020

Gevolgen van inwonen zoon en vriendin

Huurtoeslag moest worden terugbetaald. Daarnaast mocht de gemeente kostendelersregeling toepassen, wat betekende dat de bijstandsuitkering omlaag ging.

De CRvB oordeelde: Aan de kostendelersnorm ligt de gedachte ten grondslag dat onder andere huurkosten kunnen worden gedeeld met de medebewoners. Daarbij blijft buiten beschouwing of en op welke wijze de medebewoners inkomsten hebben om die huurkosten mede te dragen. Appellante wordt dus geacht haar huurkosten te hebben kunnen delen, vanaf 7 januari 2017 met B en vanaf 22 juli 2017 mede met A. Doordat zij wordt geacht aldus niet de gehele huur alleen te hoeven bekostigen, staat de kostendelersnorm als middel in verhouding tot het daarmee te bereiken doel, te weten afstemming van de bijstandsnorm op de behoeften van de betrokkene.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2020:178

Permanente link

16 maart 2020

Nieuwe woning, geen bijstand

Betrokkene had algemene bijstand en bijzondere bijstand voor de inrichting en eerste maand huur van zijn nieuwe woning. Omdat hij in de nieuwe woning nog geen spullen had sliep hij nog bij zijn moeder. Hij had zich al wel op het nieuwe adres ingeschreven, maar er was nog geen verhuizing gaande. Hij had nog geen geld om de nieuwe woning in te richten De gemeente mocht de aanvraag afwijzen omdat hij zijn hoofdverblijf niet op het adres zijn nieuwe woning had.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2020:395

Permanente link

20 februari 2020

Stortingen op bankrekening

Als je in de bijstand zit moeten stortingen op een bankrekening altijd gemeld worden.

Verzwegen bankrekening waarop waarop 67 kasstortingen op een verzwegen bankrekenign zijn gedaan tot in totaal een bedrag van € 122.035,-. De gemeente mocht de hele bijstand over 1 juli 2009 tot en met 2 juli 2017, totaal € 162.735,80, terugvorderen, ook over perioden waarin geen stortingen hadden plaatsgevonden. Gelet op de grootte van het totale bedrag en het aantal van 67 kasstortingen op en 122 kasopnamen van de verzwegen bankrekening, bestond geen enkele zekerheid dat de mutaties op die rekening een volledig beeld geven van alle contante bedragen waarover appellant is gaan beschikken en in welke maanden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2020:183

Zie ook https://nass.website/indebijstand.php#stortingen

Permanente link

10 februari 2020

Bijstand en aanschaf auto

Aanschaf van een auto kan leiden tot beeindiging en terugvordering van bijstand als de herkomst van het bedrag waarmee de auto is aangeschaft niet voldoende kan worden aangetoond.

Zie http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2020:16

Dat alle kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening gemeld moeten worden en dat, behoudens uitzonderingen, als inkomsten worden aangemerkt en op de bijstandsuitkering in mindering worden gebracht en, indien deze niet zijn gemeld, tot terugvordering kunnen leiden, was al bekend. Zie daarvoor https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CRVB:2016:3709 en https://nass.website/indebijstand.php#stortingen

Zie ook https://nass.website/indebijstand.php#artinlichtingen

Permanente link

30 december 2019

Hoofdverblijf is niet altijd het adres waar iemand het meest aanwezig is

Dat iemand vaak bij zijn ex was in verband met zijn zorgtaken als vader betekent, ook als hij daar vaker is dan op zijn eigen woonadres, niet automatisch dat hij zijn hoofdverblijf op het adres van zijn ex heeft. Daarnaast spelen ook andere omstandigheden een rol. In dit geval speelde een rol dat op het adres van de ex geen persoonlijke spullen en administratie van hem aanwezig waren en dat die wel op zijn woonadres aanwezig waren. Zie daarvoor verder punt 4.8.1 t/m 4.8.5 in de uitspraak. In dit geval betekende dat dat de gemeente de bijstandsuitkering van de ex niet mocht intrekken en terugvorderen wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:3467

Permanente link

11 december 2019

Informatieplicht gemeente?

De informatie op deze pagina zou eigenlijk door de gemeente moeten worden verstrekt.

Is de gemeente verplicht de burger die bijstand aanvraagt vooraf behoorlijk te informeren?

De rechtbank Gelderland bij uitspraak van 8 oktober 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:3552 onder punt 5.4, laatste volzin, aangegeven dat het college wel degelijk een informatieplicht naar de burger toe heeft, zij het dat die informatieplicht niet zo ver gaat dat bij aanvang van de uitkering alle mogelijke situaties die gemeld moeten worden, door verweerder, lees: de gemeente, uiteengezet moeten worden.

Permanente link

30 november 2019

Dakloos en bijstand

Voor een dakloze is het verkrijgen van bijstand een moeilijke zaak. Het lijkt er op dat een dakloze voor elke dag vooraf zal moeten opgeven op welk adres hij gaat verblijven, zodat de gemeente op dat adres een huisbezoek of een controle kan uitvoeren. Gebruik maken van een daklozen opvang zoals ‘t Eindje wordt op die manier min of meer afgedwongen ook als daar objectief geen noodzaak toe bestaat.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:3188

Zie ook hier

Permanente link

20 november 2019

Medeterugvordering bij gezamenlijke huishouding

Voor wie het nog niet weet: als bijstand wordt teruggevorderd wegens een niet gemelde gezamenlijke huishouding (samenwonen) kan de bijstand ook worden teruggevorderd van degene met wiens inkomen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Dat is dus degene met wie de bijstandontvanger geacht wordt een gezamenlijke huishouding te hebben gevoerd (te hebben “samen gewoond”). Dit wordt niet anders als de bijstandontvanger inmiddels is overleden. Houd er bij een verhoor door een sociaal rechercheur of daarmee vergelijkbare ambtenaar rekening mee dat achteraf ontkend zal worden dat je verklaring onder onaanvaardbare druk is afgelegd.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:3103

Permanente link

13 november 2019

Gezamenlijke huishouding, wederzijdse zorg?

Om een gezamenlijke huishouding te kunnen aannemen is, afgezien van een aantal uitzonderingsgevallen die opgesomd worden in lid 4 van artikel 3 van de Participatiewet, ook nodig dat zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar. Uit deze uitspraak van de Centrale Raad van Beroep komt o.a. naar voren dat niet alle activiteiten die gezamenlijk worden ondernomen, als zorg in deze zin kunnen worden aangemerkt.

In dit geval stond vast dat betrokkene zorg verleende aan X, maar niet dat X ook zorg verleende aan betrokkene. Het college, lees: de gemeente, had de conclusie dat X ook zorg verleende aan betrokkene alleen gebaseerd op een verklaring waaruit niet meer blijkt dan dat betrokkene en X af en toe samen boodschappen deden en dat X af en toe de boodschappen betaalde. De centrale Raad van Beroep overwoog hierover verder: Het gezamenlijk ondernemen van activiteiten hoeft evenwel niet noodzakelijkerwijs gepaard te gaan met enige vorm van verzorging in de zin van artikel 3, derde lid, van de P.W. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval het samen boodschappen doen gepaard is gegaan met enige vorm van zorg. Verder is het gegeven dat X af en toe boodschappen betaalde onvoldoende concreet om conclusies aan te verbinden. Voor het aannemen van wederzijdse zorg is weliswaar niet noodzakelijk dat de door ieder van beiden geboden zorg dezelfde omvang en intensiteit heeft, zoals het college heeft benadrukt, maar de zorg moet wel een meer dan incidenteel karakter hebben en van enig gewicht zijn. Daarvan is in dit geval niet gebleken.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college heeft nagelaten om betrokkene te bevragen op andere dan de onder 4.2.3 vermelde omstandigheden die van betekenis kunnen zijn voor de vaststelling dat X zorg aan betrokkene verleende. Die omstandigheden hielden in dat zij wel eens samen boodschappen deden en dat X die wel eens betaalde. Daarmee had het college in strijd gehandeld met artikel 3.2 van de Algemene Wet Bestuursrecht, dat bepaalt dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Het college dacht dit te kunnen herstellen door betrokkene, ruim nadat al hoger beroep was ingesteld, op te roepen om in een gesprek inlichtingen te geven. Betrokkene was op deze oproepen niet verschenen. Het college meende dat betrokkene daarmee de inlichtingenplicht had geschonden en daardoor het recht op bijstand niet was vast te stellen. Onder punt 4.7 motiveert de Centrale Raad van Beroep waarom het college de gebreken niet op deze wijze kon herstellen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter ook dat de rechtbank de zaak had moeten terugverwijzen naar de gemeente om de gemeente in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te doen en draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen. Mogelijk krijgt het college zo via een omweg alsnog de gelegenheid betrokkene te verhoren over omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat wel sprake zou zijn geweest van wederzijdse zorg en dus van een gezamenlijke huishouding.

Permanente link